Sporen van kolonisatie

Eindtermen Lager Onderwijs

Mens en maatschappij

Maatschappij


















2.5*



beseffen dat hun gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media.



2.11               



kunnen illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.



2.12



zien in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.




Tijd






















3.7



kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband.



3.8



kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.



3.9*



tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.



3.10*



beseffen dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.




Brongebruik










5.1



De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen



 

Muzische vorming

3.4          spelvormen in een sociale en maatschappelijke context hanteren.

Nederlands




























































































1. Nederlands - luisteren



De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in



1.2



een voor hen bestemde informatieve radio-uitzending;



De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen bij:



1.7



een voor hen bestemde informatieve tv.-uitzending.



2. Nederlands - spreken



De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) het gepaste taalregister hanteren als ze:



2.5



vragen van de leerkracht in verband met een behandeld onderwerp beantwoorden;



2.6



van een behandeld onderwerp of een beleefd voorval een verbale/non-verbale interpretatie brengen, die begrepen wordt door leeftijdgenoten;



3. Nederlands - lezen



De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in



3.1



voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard;



3.3



voor hen bestemde teksten in tijdschriften.



De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie ordenen die voorkomt in:



3.4



voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten;



3.5



voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften en jeugdencyclopedieën.



De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beoordelen) op basis van, hetzij de eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen, informatie beoordelen die voorkomt in:



3.7



reclameteksten die rechtstreeks verband houden met hun leefwereld.



4. Nederlands - schrijven



De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren):



4.6



schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden.



5. Nederlands - strategieën



De leerlingen kunnen bij de eindtermen luisteren, lezen, spreken en schrijven de volgende strategieën inzetten:



5.2



hun manier van luisteren, lezen, spreken en schrijven afstemmen op het luister- lees-, spreek- of schrijfdoel, en voor spreken en schrijven ook op de luisteraar of lezer;



5.3



tijdens het luisteren, lezen, spreken en schrijven hun aandacht behouden voor het bereiken van het doel;


ICT













1



hebben een positieve houding tegenover ict en zijn bereid ict te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.



4



kunnen zelfstandig leren in een door ict ondersteunde leeromgeving.


Leren leren

















2



De leerlingen kunnen op systematische wijze verschillende informatiebronnen op hun niveau zelfstandig gebruiken.



3



De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook andere dan teksten) verwerven en gebruiken.



6



Houdingen en overtuigingen


De leerlingen kunnen op hun niveau leren met:


-          Houding van openheid


-          Kritische zin


Sociale vaardigheden

















1.6



De leerlingen kunnen kritisch zijn en een eigen mening formuleren



3



Sociale vaardigheden – domein samenwerking



 



De leerlingen kunnen samenwerken met anderen, zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische origine.


Eindtermen Lager Onderwijs
<
>
x
content crackers twitter content crackers facebook content crackers google+ content crackers linkedin content crackers mail content crackers whatsapp

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

x